Copy
December 2014 - Nieuwsbrief 3

In deze nieuwsbrief:

Oud grasland levert topopbrengsten  Oud grasland levert vergelijkbare tot hogere opbrengsten op dan nieuw grasland. Dat blijkt uit recent onderzoek op tien melkveebedrijven op zeeklei.   Lees verder


Theezakjes als maat voor organische stof afbraak   In augustus zijn op 20 proefpercelen met jong en oud grasland op 10 bedrijven theezakjes opgegraven van Groene thee en Rooibos thee die 90 dagen in de grond hebben “getrokken”.   Lees verder

Afbraak van mestflatten   Naast theezakjes zijn er in augustus ook mestflatten ‘geoogst’ op de 20 proefvelden met jong en oud grasland. Gemiddeld 60% van deze mestflatten waren afgebroken.   Lees verder


Ton Schouten, onderzoeker bij het RIVM: ‘De bodem geeft z’n geheimen niet makkelijk prijs’   Ton Schouten van het RIVM ging afgelopen voorjaar een dag mee met de onderzoekskaravaan langs de 20 proefveldjes.  Lees verder

Colofon


Oud grasland levert topopbrengsten

Oud grasland levert vergelijkbare tot hogere opbrengsten op dan nieuw grasland. Dat blijkt uit recent onderzoek op tien melkveebedrijven op zeeklei, waar jong en oud grasland vergeleken worden op productie, voederwaarde, bodemkwaliteit en biodiversiteit. Bij de behandeling waar niet bemest wordt met stikstof, blijkt de productie zelfs bijna 10% hoger te liggen. De resultaten zijn verrassend, omdat veel agrarische ondernemers grasland juist vernieuwen om een hogere productie te behalen.

Nieuw inzicht in graslandvernieuwing
De onderzoeksresultaten worden bekend op een moment waarop in de melkveehouderij volop discussie is over de waarde van blijvend grasland versus scheuren en nieuw ingezaaid grasland. Onderzoekster Goaitske Iepema: “De aanname dat jong grasland altijd meer oplevert dan oud grasland, gaat met de huidige bemestingsgebruiksnormen niet meer op. Het koesteren van het organische stofgehalte dat je als veehouder onder je grasland hebt, wordt nog belangrijker. Wij hopen dat ondernemers deze kennis meenemen in hun management en hun overwegingen om grasland wel of niet te vernieuwen.”
 
Resultaten van het onderzoek
Het onderzoek is tijdens het afgelopen seizoen uitgevoerd bij tien melkveehouders in de provincies Friesland en Groningen vanuit het project Goud van Oud Grasland. Op elk melkveebedrijf is van een jong en oud grasland de productie gemeten bij 0 en 300 kg N per ha. De opbrengst varieerde bij 0 kg N bemesting tussen de 6,9 en 12,9 ton droge stof per ha. Met een bemesting van 300 kg N per ha uit kunstmest varieerde de opbrengst tussen de 13,8 en 18,0 ton droge stof per ha. Oude graslanden (ouder dan 20 jaar) hadden gemiddeld een hogere opbrengst dan de jongere percelen (jonger dan 10 jaar). Dit gold zowel voor de onbemeste behandelingen (10,2 versus 9,4 ton ds per ha) als de behandelingen die 300 kg stikstof per ha toegediend kregen (15,9 versus 15,6 ton ds per ha). Zonder stikstofbemesting produceren acht van de tien oude graslandpercelen beter dan de jonge percelen op hetzelfde bedrijf. Door de bemesting met stikstof wordt het verschil in productie tussen jong en oud grasland kleiner.

Tabel: Vergelijkend onderzoek naar jong en oud grasland op 10 melkveebedrijven


Ook stikstofopbrengst hoger van oud grasland
Zonder stikstofbemesting varieerde de stikstofopbrengst van het grasland zelf 113 tot 250 kg N per ha. Met een bemesting van 300 kg N per ha uit kunstmest varieerde dit van 320 tot 483 kg N per ha. Oud grasland (ouder dan 20 jaar) had gemiddeld een hogere opbrengst dan de jongere percelen (jonger dan 10 jaar), bij zowel 0 kg N (198 versus 172 kg N per ha) als 300 kg N per ha (391 versus 378 kg N per ha).


Theezakjes als maat voor organische stof afbraak

In augustus zijn op 20 proefpercelen met jong en oud grasland op 10 bedrijven theezakjes opgegraven van Groene thee en Rooibos thee die 90 dagen in de grond hebben 'getrokken'. Hierbij is gebruik gemaakt van een methode ontwikkeld door de Universiteit van Utrecht om op een simpele manier een uitspraak te doen over de afbraak van organische stof. Door gebruik te maken van makkelijk-afbreekbare Groene thee en moeilijk afbreekbare Rooibos thee kan een afbraakcurve van organische stof bepaald worden. Iedereen kan dit op zijn eigen percelen doen en invullen op een website www.decolab.org.
 
Het doel van de ontwikkelaars van deze methode is om met een simpele methode wereldwijd gegevens verzamelen wat betreft de afbraaksnelheden van organische stof. Hierdoor ontstaat meer informatie voor wereldbodemkaart en wil men de klimaatmodellen verbeteren. Binnen het project Goud van Oud grasland willen we kijken of we de afbraakcurve kunnen relateren aan microbiologische processen in de bodem en functies van de bodem.

Jaareffect
De mate waarin de makkelijk afbreekbare Groene thee is afgebroken, geeft aan waar de makkelijke afbraak stabiliseert, de zogenaamde stabilisatie-factor S. De waarde van de factor S ligt tussen 0 en 1. S=0 betekent alles is afgebroken, S=1 betekent niets is afgebroken. Dus hoe lager de S, hoe meer is afgebroken, hoe beter, want dan is er veel microbieel leven in de bodem aanwezig. Op de 20 percelen in het project varieerde de S-factor van 0,18 – 0,30 met een gemiddelde van 0,24. In eerder onderzoek in 2013 vonden we op zand een S-factor van 0,22 en op veen 0,18. Het lijkt er dus op dat op kleigrond minder organisch materiaal wordt afgebroken dan op veen en zandgrond. Mogelijk speelt een jaareffect (vocht en temperatuur) of de bescherming van de organische stof door klei.
 
Snelle afbraak
De mate waarin de moeilijk afbreekbare rooibosthee is afgebroken geeft de decompositie-factor K aan. Deze factor zegt iets over de snelheid waarmee het organisch materiaal, in dit geval rooibosthee wordt afgebroken. Ook deze ligt tussen 0 en 1.Hoe dichter de K bij 0 ligt, hoe trager de afbraak plaatsvindt. Een hogere K-factor betekent dus een snelle afbraak.
De K-factor varieerde van 0,006 tot 0,027 met een gemiddeld van 0,013. Op zand en veen werden vergelijkbare waarden gevonden, gemiddeld 0,014 op zand en 0,016 op veen. Het lijkt er dus op dat op klei grond het organisch materiaal ook iets langzamer wordt afgebroken dan op veen en zand.
 
Bedrijfseffect
Opvallend was het bedrijfseffect dat we vonden op de 10 bedrijven van het onderzoek in Goud van Oud grasland. Vaak was de K-factor vergelijkbaar op de twee percelen. Dit kan te maken hebben met management of bepaald microbieel leven wat op het ene bedrijf niet en op het andere wel voorkomt. Op twee bedrijven vonden we wel grote verschillen tussen het jonge en het oude grasland. Deze worden nader onderzocht.


Afbraak van mestflatten

Naast theezakjes zijn er in augustus ook mestflatten ‘geoogst’ op de 20 proefvelden met jong en oud grasland. Deze mestflatten zijn kunstmatig op de proefvelden neergelegd door mest van koeien op een grasrantsoen te vangen, te mengen en in een standaard bakvorm op het perceel neer te leggen. De mestflatten hebben vijf weken op de proefvelden gelegen. Door het gewicht en het gehalte aan organische stof van de mestflatten aan het begin en aan het einde van de vijf weken te bepalen, kunnen we iets zeggen over de mate waarin de mest is afgebroken.
 
Een koe produceert gemiddeld 8-10 flatten per dag. Bij weidegang komen die in het perceel terecht. Een snelle afbraak is gewenst om verschillende redenen: snellere recycling van nutriënten, betere benutting, meer grasgroei (onder een flat groeit geen gras), sneller herstel van de grasmat, en minder schijtbossen en noodzaak voor slepen of bloten.
 
Uit onderzoek blijkt dat de afbraak wordt beïnvloed door de aanwezigheid van vliegen, kevers en wormen, het klimaat (droog, warm, vochtig) en het bodemtype. Vorig jaar is de mate en de snelheid van de afbraak van mestflatten onderzocht op veen en zand, dit jaar op klei. Uit het onderzoek op zand en veen bleek dat er na vijf weken de afbraak stabiliseert, daarom hebben we er op klei voor gekozen om de flatten vijf weken te laten liggen.
 
Gemiddeld 60% afgebroken
De hoeveelheid organische stof die na 5 weken nog over was, varieerde op de 20 proefvelden van 32 tot 50%. Gemiddeld was dit 40% zowel op het oude als op het jonge grasland. Op veen was vorig jaar na 5 weken gemiddeld nog 35% van de organische stof over en op zand 46%. De afbraak van de organische stof in de mest op klei ligt dus tussen die we vorig jaar op zand en veen hebben gemeten in. In de periode dat de flatten op de proefpercelen lagen, was het veelal droog en warm weer. Mogelijk heeft dit ook een (groot) effect op de mate waarin de flatten zijn afgebroken. De verschillen tussen jong en oud grasland waren erg klein. Op sommige bedrijven was een bedrijfseffect zichtbaar, op ander waren de verschillen tussen de percelen groter.

 
Figuur 1: afbraakcurve van mestflatten op zand, veen(gemeten zomer 2013) en klei (gemeten zomer 2014)


Ton Schouten, onderzoeker bij het RIVM: ‘De bodem geeft z’n geheimen niet makkelijk prijs’


Eén van de partijen die op de achtergrond betrokken is bij Goud van Oud Grasland is het RIVM in  Bilthoven. Ton Schouten is afgelopen voorjaar een dag mee geweest met de onderzoekskaravaan, die eind april in twee dagen door Friesland en Groningen trok langs de 20 proefveldjes van de 10 deelnemers. Schouten is onderzoeker bodembiologie bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en projectleider BoBI, het meetnet BodemBiologische Indicator. 

Hoe is hij bij Goud van Oud terecht gekomen?
‘Het RIVM werkt al sinds 1999 samen met een aantal instituten als Alterra, WUR, Blgg, PPO, en het Louis Bolk Instituut, in een nationaal meetprogramma waarin de chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit in beeld wordt gebracht. Dat wordt gedaan op circa 300 locaties verspreid over Nederland voornamelijk op landbouwgrond, zowel bouwland als grasland. Dit levert een set aan metingen op van bodembacteriën tot regenwormen en wat al niet meer. In het samenwerkingsverband wordt ook onderzoek gedaan in diverse veldexperimenten. Op die manier kan met vereende krachten een veel breder en meer diepgaand onderzoek worden uitgevoerd. Zodoende kwam Nick van Eekeren met de vraag of wij een bijdrage konden leveren aan de veldonderzoeken die in het kader van Goud van Oud Grasland uitgevoerd worden. Het antwoord was ja. We doen een deel van de analyses’.
 
Gaat hij vaak mee om veldwerk te doen?
‘Nee, jammer genoeg niet! Daarom vond ik het ook zo leuk om een klein deel van het veldwerk te kunnen doen. Je staat dan toch letterlijk en figuurlijk met je voeten in de klei. Als projectleider zit je meestal achter je bureau, maar als de mogelijkheid er is om contact met het begin van de keten te leggen pak ik die graag mee. Het is bovendien niet alleen leuk maar ook nuttig. Als je dingen bedenkt achter je bureau moet je ook weten wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn. Met je handen in de grond zijn veel dingen toch anders. Die dag in april zat het weer aanvankelijk enorm tegen. Wat een regen….. dat maakt het werk in het veld meteen een stuk lastiger en trager. Het zorgt ook wel weer voor saamhorigheid, leuk om dat mee te maken. Veldwerk is lang en hard werken en dan leer je mensen op een andere manier kennen dan wanneer je met ze vergadert. Het was mooi om daar bij te zijn. En het leverde een schat aan informatie op’
 
Wat hoopt hij dat Goud van Oud Grasland oplevert?
‘Vaak heb je te hooggespannen verwachtingen. In dit geval hoop ik dat we weer een stapje dichterbij komen naar het inzicht in de werking van de bodem, in de bodem als ecosysteem en de invloed van het bodemgebruik daarop. De bodem heeft nog steeds veel geheimen, het blijft een uitdaging om die te ontfutselen. Je hebt ideeën, idealen en hypotheses. Er zijn veel vragen en ook veel antwoorden. Inmiddels beschikken we met het onderzoek dat op zand en veen is al is gedaan over een mooie dataset. Straks met de resultaten van klei erbij krijgen we een nog beter, breder beeld. Daarom zou ik graag wat langer onderzoek doen en dat in de tijd willen herhalen, nu is er een kans op verstorende effecten als je een bijzonder jaar hebt qua weer. Als je 3, 4 of liever nog 5 jaar onderzoek kunt doen, is ontstaat er inzicht in de variatie in ruimte en tijd. Maar ja, dat is helaas wishful thinking. Alles moet tegenwoordig snel en de budgetten voor dit type onderzoek zijn klein. Bovendien geeft de bodem z’n geheimen niet zo makkelijk prijs. Dat weten we inmiddels wel!’

Colofon

Aan deze nieuwbrief werkten mee:
Bianca Domhof (Projecten LTO Noord), Nick van Eekeren (Louis Bolk Instituut), Goaitske Iepema (Hogeschool Van Hall Larenstein), Metha van Bruggen (Louis Bolk Instituut)

Voor meer informatie: Bianca Domhof


 
In het project ‘ Goud van Oud Grasland’ werken
 LTO Noord, Projecten LTO Noord, Van Hall Larenstein en het Louis Bolk Instituut samen.



Het project wordt financieel mogelijk gemaakt door:

Copyright © 2014

 
Email Marketing Powered by Mailchimp