Leuke weetjes, belangrijke feiten, interessante projecten en natuurlijk de agenda over Duurzaam Bodembeheer: dat is de nieuwsbrief van de Bodemacademie.
header Bodemacademie

Nieuwsbrief Bodemacademie 15


Partners Bodemacademie:

    



Inhoud:


Bleker, Brabantbreed en bodemschimmels

Op 21 mei bezocht demissionair staatssecretaris Henk Bleker Noord-Brabant om te zien wat regionale samenwerking oplevert. Hij was te gast op het bedrijf van Peter van Beers, die een praktisch systeem ontwikkelde om Sclerotonia te bestrijden met Cotans. Lees het hier het artikel


Biowisselkas: Bredere vruchtwisseling voor een gezondere bodem

In de biologische glastuinbouw wordt – in tegenstelling tot in de gangbare substraatteelt – in de grond geteeld. Dat kan problemen opleveren met bodemziekten. In het innovatieve project Biowisselkas hebben onderzoekers van het  PPO en het Louis Bolk Instituut  naar oplossingen gezocht. Lees het hier het artikel


Brabantse agrariërs gaan verdroging tegen

Doordat de drinkwaterwinning in bepaalde delen van Brabant steeds intensiever wordt, zou de grondwaterstand kunnen dalen. Dit gegeven heeft agrariërs en Brabant Water bij elkaar gebracht in het project Bufferboeren. Het project is een zoektocht naar praktische maatregelen om de effecten van verdroging zoveel mogelijk te reduceren. Lees het hier het artikel

Praktijknetwerk Kruidenrijk Kuikengrasland

Een groep van ongeveer 60 veehouders zet zich de komende twee jaar in om meer kruidenrijk grasland te produceren, oogsten en voeren aan hun vee. Kruidenrijk grasland is belangrijk voor weidevogelkuikens om te overleven. Bemesting is cruciaal voor goed kuikengras. Begin mei vond de startbijeenkomst van het praktijknetwerk plaats in Putten, georganiseerd door CLM, LTO Noord en agrarische natuurvereniging Water, Land en Dijken. Lees het hier het artikel

Uitgelicht: Promotie rond geschiedenis beleid milieuvriendelijke landbouw

Op 7 mei is Dick Hollander in Utrecht gepromoveerd op zijn proefschrift over de geschiedenis van de biologische landbouw in Nederland. Lees het hier het artikel

Alles over duurzaam bodembeheer in veenweiden

Begin 2012 is een kwaliteitsgids verschenen met analyses van uitgebreide bodemmetingen uit het westelijk veenweidegebied (in het Groene Hart). Deze analyses vormden de basis voor een praktische richtingwijzer voor het veenweidegebied, de VeenVeen. Lees het hier het artikel

Groenbemesters in de strijd tegen aaltjes

Telers op zandgrond zijn bij wet verplicht om na maïs een groenbemester te zaaien. Veel agrariërs zijn bang dat schadelijke aaltjes toenemen door de teelt van groenbemesters. In het kader van het project ‘Schoon Water voor Brabant’, worden sinds 2006 de effecten van verschillende groenbemesters op aaltjes onderzocht. Het doel van dit project is om chemische grondontsmetting op zandgrond te verminderen met 80%. Lees het hier het artikel

Biomassa inzetten voor energiewinning of voor bodemvruchtbaarheid?

Voor bodemvruchtbaarheid is organische stof nodig: aanvoer van mest, groenbemesters, plantenwortels, en gewasresten. Steeds vaker wordt gekeken of het niet-oogstbare deel van gewassen voor energiewinning gebruikt kan worden. Dat zet de bodemvruchtbaarheid onder druk. Lees het hier het artikel.

Agenda

Lees hier de Agenda

Aan deze nieuwsbrief werkten mee, naast de auteurs: Rutger Amons, Lidwien Daniels, Sjef Staps, Petra Rietberg (LBI), Anneloes Visser (CLM).



Bleker, Brabantbreed en bodemschimmels

Op 21 mei bezocht demissionair staatssecretaris Henk Bleker Noord-Brabant om te zien wat regionale samenwerking oplevert. De samenwerking tussen Provincie Noord-Brabant, Brabant Water, de waterschappen en ZLTO heeft een provinciebrede uitrol van het project ‘Schoon Water voor Brabant’ opgeleverd in de komende vier jaar. Schoon Water-deelnemer Peter van Beers uit Vessem ontving Bleker op 21 mei op zijn bedrijf.
Peter van Beers is een innovatieve akkerbouwer en loonwerker. Hij vermindert de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar water door gebruik te maken van GPS, spuitboomsectieafsluiting en luchtondersteuning. Daarnaast is een gezonde bodem voor hem waardevol. Daarom ontwikkelde hij een kostenbesparende methode om het natuurlijke middel Contans tegen Sclerotinia (rattenkeutelziekte) in één werkgang aan te brengen en in te werken in de bodem. Van Beers won eerder met deze methode de Schoon Water Innovatieprijs. Contans bevat sporen van de schimmel Coniothyrium minitans. De sporen parasiteren schimmels Sclerotinia slerotiorum en Sclerotinia minor. Door het middel drie teelten achter elkaar te gebruiken gaat de ziektedruk omlaag. De schimmel komt vooral veel voor op lichtere gronden. Daar brengt zij schade toe aan bonen, maar kan ook opbrengstderving geven in aardappelen, wortelen, erwten en andere gewassen.
Contans moet voor het zaaien of poten worden ingewerkt. Infrezen is op de lichte zandgrond van Zuid-Oost Brabant geen goed idee omdat de grond dan te fijn wordt. Normaal wordt Contans met een brede landbouwspuit op de akker gespoten en daarna in een tweede werkgang ingewerkt. Dit kost veel tijd. Van Beers bouwde daarom een machine waarmee hij vanuit een tank voor op de trekker het middel op de grond spuit. De werkbreedte is gelijk aan een schijveneg achter op de trekker die het middel inwerkt. “Door in één werkgang te werken bespaar ik kosten. Ik hoop dat ik daarmee de belemmering voor het gebruik van Contans heb weggenomen. Want ik denk dat Sclerotinia meer schade geeft dan veel telers doorhebben. Als aardappelen vroeg afsterven wordt de oorzaak al gauw gelegd bij een te nat of te droog groeiseizoen of Rhizoctonia. Ik denk dat Sclerotinia ook een rol kan spelen. Ikzelf heb in de bonenteelt al minder chemische schimmelbestrijdingsmiddelen in hoeven zetten.”

Eerder konden in het project  ‘Schoon Water voor Brabant’ alleen agrariërs in de grondwaterbeschermingsgebieden meedoen, nu staat deelname open voor alle Brabantse loonwerkers en telers van aardbeien, prei, asperge en aardappels. Ze krijgen gratis deskundig advies van DLV Plant en CLM en gaan aan de slag met succesvolle maatregelen¸die goed zijn voor grond- en oppervlaktewater én voor de teler zelf. Zo bespaart een teler op middelkosten, levert hij een schoon kwaliteitsproduct en zorgt hij indirect voor behoud van een breed middelenpakket. Immers de toelating van middelen die meerdere jaren de waterkwaliteitsnormen overschrijden, loopt gevaar.


De schijveneg en fronttank waarmee loonwerker van Beers in een werkgang een schimmelbestrijding met het natuurlijke middel Contans uitvoert.

Meer informatie via CLM, Peter Leendertse: pele@clm.nl of 0345-470700
naar boven



Biowisselkas: Bredere vruchtwisseling voor een gezondere bodem

In de biologische glastuinbouw wordt – in tegenstelling tot in de gangbare substraatteelt – in de grond geteeld. Vruchtgroenten zoals tomaten, paprika en komkommer worden doorgaans jaarrond geteeld. Aan de bodem worden hoge eisen gesteld. Vanwege de intensieve teelt en krappe vruchtwisseling in de biologische glastuinbouw, steekt een aantal bodemgebonden pathogenen de kop op. Deze kunnen de teelt flink onderuit halen. Met name wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne incognita en hapla), maar ook hardnekkige schimmels zoals Verticillium dahliae zijn lastig te bestrijden. De belangrijkste vruchtgroenten tomaat en paprika behoren tot dezelfde plantenfamilie, waardoor ze gevoelig zijn voor dezelfde ziekten. Afwisseling met alleen komkommer, die tot een andere familie behoort, is onvoldoende om bodempathogenen terug te kunnen dringen. Met een blik op de toekomst hebben biologische glastuinders in 2007 verschillende alternatieve vruchtwisselingsystemen naast elkaar gezet, met het doel om de bodem gezonder te laten functioneren: de “Biowisselkas”.

De Zebrinotomaat groeide in het Körversysteem in de biowisselkas

Onderzoekers van PPO en het Louis Bolk Instituut hebben in de periode 2008-2011 op twee glastuinbouwbedrijven onderzoek gedaan naar één van deze systemen gedaan: het Köversysteem. In dit teeltsysteem worden de plantbedden ondergronds in compartimenten verdeeld, met gebruik van folie. Op de ene helft van het plantbed worden vruchtgroenten geteeld, en op de andere helft van het plantbed worden antagonistische gewassen geteeld, of wordt de grond braak gelegd. Antagonistische gewassen, zoals Afrikaantjes (Tagetes), dringen de aaltjespopulaties terug. Paprika bleek in het systeem veel last te hebben van de antagonistische gewassen, die veel licht afvingen. De opbrengst van de paprika liep daardoor met 25% terug. In combinatie met braak bleven de opbrengsten op een acceptabel niveau, vergelijkbaar met het reguliere systeem. Wel vielen er stengels uit als deze (te) schuin weggroeien. Voor paprika geeft het wisselsysteem onvoldoende productiezekerheid. Tomaat produceert in het systeem in combinatie met braak hetzelfde als in een normale teelt. De aantallen pathogene wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne incognita) namen sterk af tijdens het eerste jaar braak. Twee jaar braak had echter geen extra effect op de daling van de aaltjespopulatie. Aan het eind van de opvolgende tomatenteelt was de hoeveelheid aaltjes weer sterk gestegen, onafhankelijk van de voorvrucht (paprika of braak). Wel waren de wortels iets gezonder van tomatenplanten die geteeld waren nadat de grond braak heeft gelegen. De gezondheidsverbetering was echter te gering om ook een hogere opbrengst te genereren. Het wisselsysteem vraagt ook een andere aanpak van de bemesting. Voor de aanleg van het teeltsysteem zijn investeringen noodzakelijk. Omdat de opbrengsten onzeker zijn, vinden glastuinders het riskant om het wisselsysteem te introduceren. Voor tomaat en komkommer biedt het nieuwe teeltsysteem de mogelijkheid om naar een gezondere bodem toe te werken.

Aaltjespopulaties nemen af door het telen van tagetes

Het rapport Biowisselkas: Bredere vruchtewisseling voor een gezondere bodem is te downloaden van de website van het Louis Bolk Instituut:
Meer informatie via het Louis Bolk Instituut, Willemijn Cuijpers: w.cuijpers@louisbolk.nl of Leen Janmaat: l.janmaat@louisbolk.nl, of of 0343 523 860.
naar boven


Brabantse agrariërs gaan verdroging tegen

Doordat de drinkwaterwinning in bepaalde delen van Brabant steeds intensiever wordt, zou de grondwaterstand kunnen dalen. Dit gegeven heeft agrariërs en Brabant Water bji elkaar gebracht in het project Bufferboeren. Het project is een zoektocht naar praktische maatregelen om de effecten van verdroging zoveel mogelijk te reduceren. In het project streeft men naar het verhogen van het organische-stofgehalte van de bodem, waardoor de bodem water beter vasthoudt. Daarnaast wordt gewerkt aan het verbeteren van de beworteling van grasland. Beworteling heeft  een dubbele functie: een diepere beworteling kan beter water uit diepere bodemlagen benutten maar verhoogt tevens het organische stofgehalte van de bodem, wat gunstig is voor de vochtvasthoudend vermogen.
In het project Bufferboeren zijn op verschillende zandpercelen metingen gedaan aan de verdeling van de wortelmassa van graslanden door het bodemprofiel (zie figuur).  80-90% van de wortelmassa op zandgrond zit in de bovenste bemonsteringslaag. Toch zijn er ook in de diepst bemonsterde laag grote verschillen in de intensiteit van de beworteling.
De metingen hebben een beeld opgeleverd van de variatie in beworteling die in de praktijk te vinden is. Deze variatie is opvallend groot: op de locatie met de hoogste wortelmassa werden vier keer zo veel wortels gevonden als op de locatie met de laagste wortelmassa. Deze variatie wordt veroorzaakt door bodemgesteldheid, leeftijd van het grasland, grasras, bemesting en management. Dit heeft flinke gevolgen voor de opbouw van de organische stof in de bodem. Een wortelmassa van 4000 kg per hectare geeft in 10 jaar tijd bijna 0,5% extra organische stof in de laag 0-10 cm ten opzichte van een wortelmassa van 1000 kg. Om deze 0,5% stijging van organische stof met runderdrijfmest te bewerkstelligen zou 200 m3 mest noodzakelijk zijn.


 In het project Bufferboeren werd een grote variatie in beworteling gevonden tussen verschillende graslandpercelen.

Een intensievere en diepere beworteling is niet alleen belangrijk voor de wateropname van het gewas en opbouw van organische stof, maar speelt ook een rol in nutriëntenopname, bodemstructuur, voeding van bodemleven, bodemvorming en beheersing van onkruiden. In de brochure “Terug naar de graswortel” worden handreikingen voor de praktijk gegeven om de beworteling onder grasland te intensiveren en te verdiepen. Deze brochure is te downloaden: of te bestellen op www.louisbolk.nl.

Meer informatie via het Louis Bolk Instituut, Nick van Eekeren: n.vaneekeren@louisbolk.nl of Joachim Deru: j.deru@louisbolk.nl of 0343 523 860.
naar boven


Praktijknetwerk Kruidenrijk Kuikengrasland

Een groep van ongeveer 60 veehouders zet zich de komende twee jaar in om meer kruidenrijk grasland te produceren, oogsten en voeren aan hun vee. Kruidenrijk grasland is belangrijk voor weidevogelkuikens om te overleven. Bemesting is cruciaal voor goed dergelijk “kuikengras”. Begin mei vond de startbijeenkomst van het praktijknetwerk plaats in Putten, georganiseerd door CLM, LTO Noord en agrarische natuurvereniging Water, Land en Dijken.

Wat willen weidevogels?
Het gaat niet goed met de weidevogels. Dit heeft vele oorzaken. De grutto heeft bij terugkomst uit Afrika behoefte aan natte en voedselrijke percelen met veel wormen, emelten en ander bodemleven. Daar doen ze energie op voor de productie van jongen. Gruttojongen eten in hun eerste levensweken voornamelijk insecten die ze vinden in lang kruidenrijk grasland. Een vochtige bodem, kruiden, ruige stalmest en koeienvlaaien zorgen voor deze insecten. Voor de overlevingskans van weidevogeljongen is het uitstellen van het maaien essentieel. Door de bemesting in het voorjaar aan te passen - geen kunstmest, alleen een mestgift met liefst ruige mest - groeit het gras langzamer. Daardoor is het begin juni nog ‘open’ en ‘begaanbaar’ voor de jonge kuikens. Ook zorgt een lagere mestgift dat kruiden op den duur meer kansen krijgen. Het aantal bodeminsecten is ook gebaat bij een wat lagere mestgift.

Wat willen agrariërs?
Een agrariër wil een kwalitatief hoogwaardige product van zijn grasland afhalen. Een regulier bedrijf bemest in het voorjaar het grasland met kunstmest en dierlijke mest om zoveel mogelijk snedes van het land te halen. Het laat gemaaide “kuikengras”, dat geschikt is voor kuikens van weidevogels,  is vaak van mindere kwaliteit dan regulier kuilgras. De snede is bovendien vaak te zwaar vanwege een te hoge bemesting en het oogsten gebeurt vaak niet op een optimale manier. Hierdoor gaat de kwaliteit onnodig achteruit en nemen melkkoeien dit gras minder goed op. Kuikengras wordt voornamelijk aan droge koeien en jongvee gevoerd, terwijl melkkoeien makkelijk 15% in hun reguliere rantsoen kunnen opnemen zonder verlies aan melkgift.

Wat doet het praktijknetwerk?
Het doel van dit praktijknetwerk is om kwalitatief beter kuikengrasland te produceren, zowel voor weidevogels als voor (melk)koeien. Bemesting in het voorjaar speelt daarin een belangrijke rol. Ook kan bijvoorbeeld het waterpeil in het voorjaar worden verhoogd waardoor de grasgroei wordt vertraagd. Daardoor wordt kwalitatief beter kuikengras geproduceerd, en kan het bedrijf het beter inpassen in de bedrijfsvoering. De komende twee jaren gaan agrariërs en onderzoekers hiermee aan de slag tijdens veld- en landelijke bijeenkomsten. Bodembeheer vormt dus een belangrijke schakel in het weidevogelbeheer.

Gruttojongen hebben baat bij later maaien

Meer informatie via CLM, Joost Lommen of Adriaan Guldemond: jlommen@clm.nl of 0345-470758
naar boven


Uitgelicht: Promotie rond geschiedenis beleid milieuvriendelijke landbouw


Op 7 mei is Dick Hollander in Utrecht gepromoveerd op zijn proefschrift over de geschiedenis van de biologische landbouw in Nederland. Hij toont aan dat de overheid in Nederland een milieuvriendelijke landbouw veel sterker tegenwerkte dan in bijvoorbeeld de VS. Alles was op de export gericht en de manier waarop was van secundair belang. Nederland werd zo mondiaal de grootste gebruiker van stikstofkunstmest en bestrijdingsmiddelen per hectare. Het proefschrift verschijnt binnenkort ook in boekvorm en is bij de boekhandel verkrijgbaar.

“Tegen beter weten in; De geschiedenis van de biologische landbouw en voeding in Nederland (1880-2001)” 
Dick Hollander, uitgegeven in eigen beheer, ISBN 9789039357620
Meer informatie: Jan Bokhorst, Gaia Bodem, j.bokhorst@gaiabodem.nl
naar boven


Alles over duurzaam bodembeheer in veenweiden


Begin 2012 is een gedegen naslagwerk verschenen met analyses van uitgebreide bodemmetingen uit het westelijk veenweidegebied. De metingen zijn afkomstig van agrarische percelen en natuurterreinen. Dit rapport biedt veel voer voor bodemspecialisten. Een verkorte versie geeft een duidelijk overzicht van de markantste resultaten. Deze beknopte gids is met name interessant voor ondernemers, terreinbeheerders en beleidsmedewerkers landbouw, natuur en ruimtelijke ordening.
Daarnaast is de VeenVeen ontwikkelt: een richtingwijzer voor het veenweidegebied voor agrariërs.
De VeenVeen biedt de agrariër de kans om zelf te kiezen welke bodemdoelen hij belangrijk vindt, welke indicatoren hij daarvoor wil gebruiken en hoe die te meten zijn. Bovendien geeft de VeenVeen aan wat het effect van een maatregel op andere doelen voor veenweiden kan zijn. De VeenVeen behandelt in vogelvlucht de volgende thema’s:
  • Betere mestbenutting;
  • Voedselvoorziening voor weidevogels;
  • Rijker bodemleven;
  • Meer draagkracht en sponswerking.
Vanaf 2012 onderzoekt het consortium het effect van verschillende managementmaatregelen op de bodemkwaliteit. Partners die op basis van cofinanciering mee willen doen, zijn welkom.

Onderzoekers aan het werk in het veenwijdegebied
Meer informatie is te vinden via www.bodemveenweiden.nl, via info@bodemveenweiden.nl, bij CLM, Henk Kloen: hkloen@clm.nl of 0345-470700, of bij het Louis Bolk Instituut, Nick van Eekeren: n.vaneekeren@louisbolk.nl of 0343-523860.
naar boven


Groenbemesters in de strijd tegen aaltjes


Telers op zandgrond zijn bij wet verplicht om na maïs een groenbemester te zaaien. Groenbemesters verbeteren de bodemstructuur door intensieve en diepe beworteling en door aanvoer van organische stof. Bovendien voorkomen ze uitspoeling van nutriënten, en onderdrukken ze onkruiden. Veel agrariërs zijn bang dat schadelijke aaltjes vermeerderen door de teelt van groenbemesters. Dat klopt voor sommige groenbemesters, maar ze kunnen ook een bondgenoot zijn bij de bestrijding van aaltjes en bodemgebonden ziekten. In het kader van het project ‘Schoon Water voor Brabant’, worden sinds 2006 de effecten van verschillende groenbemesters op aaltjes onderzocht. Het doel van dit project is om chemische grondontsmetting op zandgrond te verminderen met 80%.

In een proefveld hebben onderzoekers in oktober 2010 na de maïsoogst de besmettingsgraad door o.a. wortellesieaaltjes, wortelaaltjes, wortelknobbelaaltjes, stengelaaltjes en saprofieten bepaald. Vervolgens zijn vier groenbemesters ingezaaid: wintertarwe, Italiaans raaigras, Japanse haver en Nemat (zwaardherik). Op een controleveld vond geen behandeling plaats.

Nemat bestrijdt aaltjes door biofumigatie. In de ondergrondse delen van de plant worden glucosinolaten en het Myrosinase-enzym geproduceerd. Wanneer een aaltje een hap van de plantenwortel neemt, komt het gas isothiocyanaat vrij dat het aaltje en andere ziekten doodt.

In onderstaande tabel staan de resultaten voor het maïswortelknobbelaaltje (Meloidogyne chitwoodi). Deze kwam bij de startmeting na de maïsoogst veel voor. Met de groenbemesters Japanse haver, Italiaans raaigras en Nemat nam de besmettingsgraad meer af dan in het controleveld. Wintertarwe zorgde juist voor een toename van de besmettingsgraad. Bij alle groenbemesters nam de besmettingsgraad van het wortellesieaaltje (Pratylenchus crenatus) af. Van de overige aaltjes en saprofieten nam de besmettingsgraad juist toe door groenbemesters.

Groenbemester       Afname Meloidogyne chitwoodi
Wintertarwe         67%
Japanse haver       66%
Italiaans raaigras  84%
Nemat (zwaardherik) 85%
Geen behandeling    37%


Deze onderzoeksresultaten worden momenteel vergeleken met andere aaltjesonderzoeken in Nederland. Binnenkort zijn ook de resultaten van het onderzoek 2011/2012 bekend.

Tips voor aaltjesmanagement en groenbemesters:
  • Weet welke aaltjes voorkomen op de percelen. Met name in de teelt van industriegroenten en akkerbouwgewassen is het aan te bevelen om eerst een aaltjesonderzoek uit te voeren. Kijk ook in het  gewas, vanaf juni/ juli zijn de eerste symptomen van besmetting door aaltjes zichtbaar.
  • Kies de groenbemester zorgvuldig. Beschouw de teelt van een groenbemester als een volwaardige teelt en behandel deze ook zo. Als bestrijding van aaltjes nodig is, pas dan het bouwplan aan zodat er ruimte komt voor een groenbemester die hierbij nuttig is. Werk de groenbemester mechanisch onder en vermijd gebruik van RoundUp.

Verschil in ontwikkeling van maïsplanten door aantasting met aaltjes (links).

Meer informatie over aaltjes en groenbemesters staat op www.kennisakker.nl en www.aaltjesschema.nl. Meer informatie over het praktijknetwerk via
CLM, Peter Leendertse: pele@clm.nl, 0345-470700 of
DLV Plant:Bert Aasman: b.aasman@dlvplant.nl, 06-53152389.
naar boven


Biomassa inzetten voor energiewinning of voor bodemvruchtbaarheid?


Voor bodemvruchtbaarheid is organische stof nodig. In de landbouw is het  echter financieel vaak gunstig om gewassen te telen die weinig organische stof achterlaten (bijvoorbeeld aardappelen, suikerbieten en groenten). Daarom staat de bodemvruchtbaarheid onder druk. Die druk wordt sterker doordat steeds vaker wordt gekeken of het niet-oogstbare deel van gewassen voor energiewinning gebruikt kan worden.  
In dit kader is het gunstig dat de BVOR (branchevereniging organische reststoffen, de bedrijfsvereniging van bedrijven die groencompost maken) en enkele individuele leden met het ministerie van EL&I een Green Deal hebben gesloten om meer veen te gaan vervangen door andere grondstoffen voor groencompost. Bij de winning van veen komen veel broeikasgassen vrij. Bovendien heeft veenwinning negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Door de Green Deal wordt de import van veen (jaarlijks 4 miljoen m3) teruggedrongen. Het streven is om 25% van het veen te vervangen, onder andere door vers hout (bron: www.bvor.nl). Daardoor zal er minder vers hout  verbrand worden voor energiewinning. Momenteel echter is dit financieel ongunstig: het verbranden van hout wordt gesubsidieerd, en het gebruik van hout als veenvervanger in compost, niet. Vanuit het oogpunt van bodemvruchtbaarheid en duurzaamheid is dit onwenselijk.
Er is een andere ongunstige ontwikkeling gaande:  er zijn meer mogelijkheden om het natte deel van de basis van groencompost (bijvoorbeeld berm- en slootmaaisel) te gaan gebruiken voor energiewinning. Omdat dit materiaal te vochtig is kan het niet verbrand worden. Recent is er een  samenwerkingsverband gestart  tussen Sparqle, Buizer advies en twee veehouders  waarbij de natte biomassa succesvol onder hoger druk is omgezet in waterstofrijk gas dat voor elektriciteitsopwekking kan dienen (bron: www.buizeradvies.nl).

Jan Bokhorst, Gaia Bodem, j.bokhorst@gaiabodem.nl
naar boven


Agenda

  • 14 juni 2012: Masterclass effectiviteit maatregelen rond mestbeleid en waterkwaliteit. Tweede masterclass rond mestbeleid en waterkwaliteit georganiseerd door WUR. Meer informatie.
  • 20 juni 2012: Open dag de Rusthoeve. Open dag op het akkerbouwproefbedrijf de Rusthoeve in Colijnsplaat met onder meer aandacht voor het themaveld bodemgezondheid. www.czav.nl
  • 27 juni 2012: Akkerbouwvelddag in Lelystad. De akkerbouwvelddag wordt in combinatie met de biologische velddag georganiseerd in Lelystad. Minimale grondbewerking en vaste rijpaden zijn onder meer de thema's. www.akkerbouwvelddag.nl
naar boven


Copyright © 2012 Louis Bolk Instituut, All rights reserved.
Email Marketing Powered by Mailchimp